Het idee dat ik iets moeilijks moet gaan doen laat me zorgelijk vooruitzien. Ik wordt dan al onrustig, somber en moe. Het idee dat nooit vrij kan reizen maakt me somber, dat het moet kunnen maakt me onrustig.
Bij een aanval voel ik me onwerkelijk door verhoogd zelfbewustzijn (zeer bewust/raar), word ik benauwd en maakt mijn lichaam zich klaar om te vluchten en andere Lichamelijke sensaties (uitwerken!). Alles wat er gebeurd maakt dat ik denk ik zal hier bang van worden. Ik wacht en probeer het tegen te houden.
Ik kan me nooit langdurig goed houden want dan bang voor:
Ik zie dan al voor me dat ik niet meer in de auto kan omdat ik weg moet, nergens rustig kan worden en steed minder kan/het weer terug komt. (uitwerken!)
Als ik bang ben zie kijk ik tegen van alles op, en voel ik me overal niet fijn bij. Gevoel dat ik dat altijd zal hebben. Ik kan nooit volhouden dat het echt niet gevaarlijk is en dat die angst alles is en wel weer weg gaat. (uitwerken!)